We zijn maar weer eens aan het ombouwen…

Zo af en toe schijnt het nodig te zijn… je site een nieuwe look and feel geven…  ik ben weer eens mijn best aan het doen! Gebruik de zoekoptie als je iets over me wilt weten en het niet kunt vinden 🙂 (Ik kom er trouwens net achter dat ik al weer zes jaar lang vrijwel uitsluitend met wordpress werk bij het bouwen van sites en ik moet zeggen… het bevalt me nog steeds prima!)

“Je had professor moeten worden…”

Professor: onlangs kwam er weer eens eentje in opspraak.  Maar afgezien de affaires van de laatste paar jaar is het  in het spraakgebruik een kwalificatie die soms bewonderend, soms laatdunkend bedoeld is.

Als kind werd ik vaak “professor” genoemd.

Soms was deze akademische titel een uiting van oprechte bewondering omdat ik de betekenis van “moeilijke woorden” al op jonge leeftijd onder de knie kreeg. Mijn inmiddels overleden hoofdonderwijzer heeft nog vaak herhaald dat hij een keer even moest nadenken toen ik de uitdrukking “audiovisuele massacommunicatie” in een opstel had gebruikt. Hij noemde we zelfs een keer gekscherend “Professor Doctor Ingenieur Meester…” De goede man heeft jarenlang de illusie gehad dat ik uiteindelijk ook echt ergens een leerstoel aangeboden zou krijgen. Hij zag me al voor een auditorium vol aandachtig luisterende studenten staan die zich vol bewondering voor hun grote leermeester trachtten de geheimen van mijn vakgebied eigen te maken

Niet altijd was de kwalificatie positief. Een goed bedoeld advies over een taal- of spelfoutje of een gesprek waarin ik wat te ver doorfilosofeerde over een bepaald maatschappelijk onderwerp, was de reactie ook wel eens “je had professor moeten worden”. In dat geval was het voor mijn gevoel meer een scheldwoord.
Dan had je de “verstrooide professor”. Dat was een van mijn favoriete striphelden uit de Okki. Zelfs werd ik ook wel eens “verstrooide professor” genoemd. Soms terecht, maar als ik bijvoorbeeld wat vaker dan anderen dingen uit mijn handen liet glippen, was het lang niet altijd een kwestie van onoplettendheid. Mijn motoriek is nooit geweldig geweest en er gingen wel eens zaken mis terwijl ik toch echt mijn volle aandacht had bij wat ik aan het doen was. Die kwalificatie vond ik dan nogal vernederend.

En dan zijn er natuurlijk de stereotypen zoals we die kennen uit stripverhalen en cartoons. Denk maar aan professor Barabas uit Suske en Wiske met zijn baard en zijn eeuwige stofjas, hét prototype van de geleerde op het gebied van exacte wetenschappen. Deze beta-man kan ook voor een groot schoolbord staan vól met wiskundige formules waarbij die van de relativiteitstheorie natuurlijk niet mag ontbreken. Als de hooggeleerde heer – dames komen in strips en cartoons over dit thema nauwelijks voor – meer een alpha-wetenschapper is, dan zie je eerder iemand met een baretje (en dan bedoel ik niet de professorenbaret die men in Nederland bij de opening van het akademisch jaar ziet maar een “Meneer-Kwel-muts” met een flosje eraan). Om de karikatuur compleet te maken wordt het tekstbalonnetje naast zijn hooggeleerde mond gevuld met moeiteloos uitgesproken volzinnen in het Sanskriet of Arabisch (Chinees staat blijkbaar niet geleerd genoeg).

Het is er uiteindelijk niet van gekomen, geen doctoraal examen, geen leerstoel, geen titel. Ik heb er ook geen spijt van dat mijn carrière anders gelopen is en ik verwijt mezelf niet dat ik “niet beter mijn best gedaan heb”. Je moet in het leven niet te hard van Stapel lopen.

Om van te kids-en?

Volgens het Instituut voor Nederlandse Lexicologie mag het woord “kids” uit de Nederlandse woordenschat verdwijnen.

Nou zie ik zelf ook niet in waarom we “kids” zouden moeten zeggen in plaats van “kinderen”, maar irriteren doen me dat soort modeverschijnselen in de taal maar zelden. Ik heb eerlijk gezegd ook nooit goed begrepen waarom veranderingen in de taal vaak zulke heftige emoties kunnen oproepen.

Neem bijvoorbeeld het gebruik van “hun” in een zin als  “hun zijn hier nog nooit geweest”. Natuurlijk, het is geen goed Nederlands want het moet zijn “zij zijn hier nog nooit geweest” maar is het nou zo erg als het zo gezegd wordt?

Je zou kunnen zeggen: met die verschillende vormen voorkom je verwarring.
Voor de derde persoon meervoud gaat dat inderdaad op. Welke vorm je gebruikt hangt af van de vraag of het gaat om het onderwerp, meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp van de zin, en ook moeten we weten of het misschien om een bezittelijk voornaamwoord gaat en of er een voorzetsel voor staat. We zeggen “zij zijn hier nog nooit geweest”, “ik geef hun een kop koffie”, “ik heb hen gezien”, “ik heb met hen gepraat” en “hun buren zijn vrienden van mij”.
Het lijkt nuttig om voor die verschillende zinsverbanden verschillende vormen te gebruiken, maar vervang “zij”, “hun” en “hen” eens door “jullie”. Je zult zien dat dat in alle vijf de voorbeelden zonder meer kan, zonder dat er een andere variant van dat “jullie” aan te pas komt. Dus als je bij die zinnen ook datzelfde betekenisverschil zou willen uitdrukken, zou het niet eens kunnen!

Dan is er natuurlijk het argument dat dat “hun” niet mooi is.
Je leest en hoort soms reacties als – in volgorde van felheid –  “het klinkt gewoon niet”, “ik vind het tenenkrommend” en  “de haren rijzen me te berge”. De klap op de vuurpijl was voor mij de titel van een forumbericht:  “Hun? Aaarrgggghhhhh!”.
Om maar met dat laatste te beginnen: als iemand nou in plaats van dat “zij” als onderwerp van de zin steeds een kots- of rochelgeluid zou produceren of een wind zou laten, dan kon ik me bij deze reactie nog wat voorstellen maar voor de rest vind ik dit wat overdreven.
En dan de opmerking dat het “gewoon niet klinkt”. Is er iets mis met het gebruik van het woord “hun” gevolgd door een werkwoordsvorm in de derde persoon meervoud? Of, laat ik het anders zeggen: gevolgd door een woord van ten minste twee lettergrepen waarvan de laatste “-en” is? Misschien, als ik op een reisbureau werk, kan ik beter niet tegen mijn collega zeggen “hun boeken elk jaar een reis naar Spanje”. Dat klinkt inderdaad niet. Maar nu werk ik op een bibliotheek en zeg tegen mijn collega “hun boeken zijn nog niet ingeleverd”. Dan klinkt het weer wél!

Ik blijf erbij dat we ons dat soort opvattingen over “mooi” en “lelijk” vaak wat te veel laten aanpraten. Hetzelfde geldt trouwens ook voor het verschil tussen “de- en het-woorden” en dt-fouten. Als ik ’s ochtends op mijn werk een email aantref van de systeembeheerder met als inhoud “ik heb jou computer opnieuw geïnstalleert en de beeldscherm vervangen”, dan kan ik natuurlijk mijn tenen bij elkaar knijpen vanwege al die taalvauwten, maar ik gebruik mijn tenen dan liever om een gat in de lucht te springen omdat ik mijn werk weer kan doen!

 

 

Toespraak Koning Juan Carlos 2 juni 2014

Vanochtend wil ik me tot u allen richten met dit bericht om u, met ongekende emotie, een belangrijke beslissing mede te delen alsmede de redenen die me ertoe bewegen deze te nemen.

Toen ik als uw koning werd ingehuldigd, bijna vier decennia geleden, heb ik de plechtige belofte gedaan het algemeen belang van Spanje te dienen, vastbesloten om er voor te zorgen dat de burgers centraal zouden staan in hun eigen bestemming en dat onze Natie een moderne democratie zou worden, volledig geïntegreerd in Europa.

Ik heb toen de indrukwekkende nationale taak op me genomen de burgers in de gelegenheid te stellen hun wettige vertegenwoordigers te kiezen en in Spanje deze grote, positieve hervorming door te voeren, die wij zo hard nodig hadden.

Nu ik hierop terugkijk, kan ik me alleen intens trots voelen en diep dankbaar jegens u.
Trots op het vele en goede dat we in deze jaren hebben kunnen bereiken.
Dankbaar voor de steun die u me hebt gegeven om mijn koningschap, waaraan ik begonnen ben in de bloei van mijn jeugd en in tijden van grote onzekerheden en moeilijkheden, te kunnen uitoefenen in een lange periode van vrede, vrijheid, stabiliteit en vooruitgang.

Trouw aan de politieke overtuiging van mijn vader, de Graaf van Barcelona, van wie ik door erfopvolging het recht op de Spaanse Troon verkreeg, heb ik koning willen zijn van alle Spanjaarden. Ik identificeer me met uw aspiraties en voel me daaraan verplicht, ik heb met u genoten van de momenten van vreugde en met u geleden in tijden van verdriet en frustratie.
De lange en diepe economische crisis waaronder we gebukt gaan heeft diepe wonden achtergelaten in ons sociale stelsel maar wijst ons ook de weg naar een toekomst vervuld van hoop.
Deze moeilijke jaren hebben ons de gelegenheid gegeven tot zelfkritiek,  waardoor we ons hebben kunnen bezinnen op onze fouten en onze beperkingen als maatschappij.
En van de andere kant hebben zij bij ons ook opnieuw het trotse bewustzijn aangewakkerd van waartoe we in staat zijn geweest en zijn,  en van wat we zijn geweest en zijn: een grote natie.
Dit alles heeft ons een impuls gegeven tot  vernieuwing, tot de wil er bovenop te komen, tot het verbeteren van fouten en tot het banen van een weg naar een toekomst die beslist beter zal zijn.
Bij het tot stand brengen van deze toekomst, claimt een nieuwe generatie terecht een hoofdrol,  een zelfde hoofdrol die in een cruciaal moment in onze geschiedenis bestemd was voor de generatie waartoe ik behoor.
Het is nu tijd plaats te maken voor een jongere generatie, met nieuwe energie, vastbesloten om de hervormingen en omvormingen door te voeren die de huidige conjunctuur van ons vraagt en om met hernieuwde intensiteit en toewijding de uitdagingen van morgen aan te gaan.

Mijn enige ambitie is altijd geweest: het bijdragen aan en het verwezenlijken van welzijn en vooruitgang in vrijheid voor alle Spanjaarden.
Ik wil het beste voor Spanje, waaraan ik mijn hele leven gewijd heb en ten dienste waarvan  ik al mijn capaciteiten, idealen en werkkracht heb gegeven.

Mijn zoon Felipe, de troonopvolger, beschikt over de stabiliteit die tekenend is voor de identiteit van de constitutionele monarchie.
Toen ik in januari van dit jaar zesenzeventig jaar werd, vond ik dat het moment gekomen  was om binnen enkele maanden de voorbereidingen te treffen om de weg vrij te maken voor hem die nu het allerbeste in staat is deze stabiliteit te waarborgen.
De Prins van Asturias beschikt over de rijpheid en is voorbereid in de zin van het noodzakelijke verantwoordelijkheidsgevoel om gegarandeerd het ambt van staatshoofd op zich te nemen en een nieuwe fase van hoop in te gaan waarin hij de opgedane ervaring en de impulsen van een nieuwe generatie in zich verenigt. Ik ben ervan overtuigd dat hij daarvoor altijd kan rekenen op de steun van Prinses Letizia.
Het is daarom dat ik, geleid door de overtuiging het beste te doen voor de Spanjaarden en nu ik voldoende hersteld ben, zowel in lichamelijk opzicht als in mijn ambtelijke taken, besloten heb mijn koningschap neer te leggen en afstand te doen van de Spaanse troon, op zodanige wijze dat de regering en het Hof de opvolging volgens de regels van de grondwet kunnen afhandelen.

Dit heb ik vanmorgen officieel aan de Minister Predident megedeeld.

Ik wil mijn dankbaarheid betuigen aan het Spaanse volk, aan al diegenen die gedurende mijn koningschap de macht uitgeoefend hebben en de overheidsinstanties, en aan allen die mij loyaal en ruimhartig de kans gegeven te hebben mijn taken te vervullen.

Ook ben ik de Koningin diep dankbaar dat zij nooit tekort geschoten is in haar ruimhartige steun en samenwerking.

Spanje blijft altijd in het diepst van mijn hart en zal dat altijd blijven.

 

In memoriam voor mijn literatuurliefhebberij?

Jacques Firmin Vogelaar is overleden, zo las ik vandaag in de krant. Als ik  de deskundigen op dit terrein mag geloven, was hij een van de betere letterkundigen van ons land. De loftuitingen op Twitter zijn dan ook niet van de lucht.

Tja, die taal- en letterkunde. In mijn gymnasiumtijd heb ik nog even serieus overwogen Nederlands te gaan studeren, maar later heb ik daar toch maar van afgezien.

Dat heeft twee oorzaken.
Op de eerste plaats was ik bij het vak Nederlands een van de betere leerlingen, zeker als het om de wat meer taaltechnische vakken ging zoals spelling en vooral grammatica. De grammatica van een taal is iets dat ik snel kan doorgronden. Zelfs toen ik nog niet kon lezen, besefte ik al dat er in de verleden tijd geen -t achter werkwoorden in de derde persoon komt, het is niet “hij zeit” maar “hij zei” , ik kon dat nog niet onder woorden brengen maar ik wist het wél. De andere kant van het verhaal was, dat ik eigenlijk al heel vroeg een voorkeur ontwikkelde voor een zo logisch mogelijke spelling, en zelfs  lastige uitzonderingen op werkwoordsvervoegingen en het verschil tussen “de” en “het” (of vergelijkbare verschillen in andere talen)  altijd gezien heb als een “minpunt” van een bepaalde taal.  Argumenten dat een vereenvoudiging van de spelling een verarming van de taal met zich mee zou brengen of dat je daarmee zelfs een stuk cultuur overboord zou gooien, zijn nooit aan mij besteed geweest.

En dan waren er de lessen literatuur. Bij de eerste boekbespreking die we moesten doen, waren we nog helemaal vrij in de keuze van de schrijver en het boek. Ik koos voor een vrij onbekende auteur, Kees van Ginneken, die onder andere wat Brabantse streekromans heeft geschreven. Er waren ook enkele klasgenoten die “het deden over” Toon Kortooms.
In de loop van dat jaar kregen we al een paar keer te horen dat Toon Kortooms eigenlijk geen literaire schrijver was maar zijn streekgenoot Antoon Coolen wél. In de loop van de komende studiejaren, werd daar geruststellend aan toegevoegd, zouden wel leren wat nu “wel of geen literatuur” was.
Dat laatste werkte bij mij niet. Ik denk dat ik wat te “bèta-achtig” dacht om daar echt goed gevoel voor te krijgen. Zo passeerden de verschillende vormen van beeldspraak de revue en toen ik opperde dat Toon Kortooms toch ook regelmatig van beeldspraak gebruik maakte, werd dat al snel afgedaan als bombast (ook door mijn medeleerlingen).
Het interpreteren en duiden van gedichten ging ook niet van een leien dakje. Het herkennen van de verschillende metrum- en rijmsoorten kreeg ik snel onder de knie, maar een gedicht van Hugo Claus “jij” met iets over een “domein van stekel en spons” was voor mij  ronduit abracadabra.

De plannen om Nederlandse taal- en letterkunde te gaan studeren, heb ik dan ook maar laten varen. Ik denk niet dat ik met een dergelijke opleidingskeuze een gelukkig mens zou zijn geworden.

Heb ik dan helemaal niets met literatuur? Met lezen in ieder geval wel. Pas heb ik het gedicht van Hugo Claus er nog eens bij gepakt en het een beetje op me in laten werken. Toen ik ook nog las dat hij tot de Cobra-groep behoorde en dat daartoe ook een aantal schilders werd gerekend, leek er toch een klein kwartje te vallen: de gedichten zijn evenals de schilderijen deels abstract, deels herkenbaar en hebben daardoor toch iets harmonieus. De schrijfstijl van Vogelaar roept een beetje hetzelfde gevoel bij me op.

Het lezen als hobby heeft decennia lang op de achtergrond gestaan, maar de laatste tijd beleef ik er toch weer wat meer plezier aan. Of een bepaald werk wel of niet literair is, kan ik nog steeds niet goed beoordelen maar dat vind ik nu ook niet meer zo belangrijk.

Dus: mijn deelneming aan de nabestaanden van de familie Vogelaar, maar het zal nog wel even duren voor mijn leeshobby ten grave wordt gedragen.