Hoe is mijn talenhobby ontstaan?

Als klein kind ben ik altijd gefascineerd geweest door zo ongeveer alles wat met talen te maken heeft. Ik was me al heel vroeg bewust van een verschil tussen “dialect” en Standaard Nederlands. Dialect was de taal van ouders, buren, familieleden en Standaard Nederlands was de taal van de dokter, de radio en later de juffrouw van de kleuterschool. Toch kwam ik er ook als kind al achter dat mijn ouders deze “vreemde” taal ook beheersten en er soms gebruik van maakten bij het (hardop) lezen van de krant.

In mijn kleuterschooltijd begon ik te lezen, als eersteklasser kon ik in het Frans, Duits en Engels tot tien tellen en toen ik als jochie van negen misdienaar werd, leerde ik de Latijnse gebeden redelijk snel.

Er volgde een periode van een jaar of drie waarin voortdurend van alles en nog wat fout ging met het hanteren van allerlei attributen zoals de ampullen en het wierookvat maar soms kwam mijn taalvaardigheid nog wel eens van pas. Hooguit een jaar na mijn “aantreden” als misdienaar werd een groot deel van de Latijnse gebeden vervangen door Nederlandse tegenhangers en enkele maanden later waren mijn collega-misdienaars die Latijnse gebeden vergeten. Enkele oudere priesters waren zeer gecharmeerd van het feit dat ik die gebeden nog wél kende en ik werd dan ook regelmatig ingeschakeld bij eucharistievieringen in beperkte kring. Enig geknoei met wijwater en een struikelpartij over mijn eigen toog werd dan op de koop toegenomen.

Later kwam ik op het gymnasium terecht, om precies te zijn het Carolus Borromeus College te Helmond. Destijds betekende dat, dat je maar liefst vijf vreemde talen voorgeschoteld kreeg: Frans, Duits, Engels, Grieks en Latijn.
Ik was beslist geen al te briljante leerling, maar de grammatica van het Latijn had ik vrij snel onder de knie en ik vond het ook ronduit fascinerend om daarmee bezig te zijn. Eindelijk werd mij duidelijk waarom Jesus nu eens “Jesus” en dan weer “Jesum” genoemd werd. Wel merkte ik dat ik taalregels die veel uitzonderingen vertoonden, wat moeilijk onder de knie kreeg. Zo heb ik altijd veel moeite gehad met Engels omdat de relatie tussen schrijfwijze en uitspraak zo onvoorspelbaar is en ook in het Frans liet ik nog wel eens wat steken vallen, vooral bij de onregelmatige werkwoorden. In die tijd begon ik door zelfstudie Spaans te leren en die taal sprak ik al vrij vlot toen ik in 1973 het gymnasium verliet. Inmiddels was ik ook begonnen met Turks, een taal die evenals het Latijn veel naamvallen en werkwoordsvormen kent maar waarin nauwelijks uitzonderingen op vervoegingen en verbuigingen voorkomen. Echt een kolfje naar mijn hand dus!

Talen waarvan ik verder een redelijke kennis heb opgedaan zijn Portugees, Italiaans,   Arabisch (vooral de Marokkaanse spreektaal-variant) en Papiamentoe. Voor de meeste Europese talen (met uitzondering van het Hongaars) geldt dat ik ze – met wat moeite – wel kan lezen.

Toen ik me wat meer voor computers ging interesseren kreeg ik al snel een grote belangstelling voor programmeertalen. Ik vind het interessant te zien hoe één en de zelfde opdracht in verschillende talen op verschillende manieren geformuleerd kan worden en hoe de ene taal nét iets andere mogelijkheden heeft bepaalde opdrachten uit te voeren, dan de andere. Je hoort ook in gesprekken over “natuurlijke talen” vaak opmerkingen als: dit of dat kun je eigenlijk niet goed in het Nederlands vertalen. In programmeertalen herken je vaak een vergelijkbaar verschijnsel. Voor de java-programmeurs onder u: het viel me al snel op dat standaard-classes vaak een naam krijgen die bestaat uit een zelfstandig naamwoord (String, Thread) en interfaces krijgen vaak bijvoeglijk naamwoorden zoals runnable. Als je daarop let dan kan deze manier van naamgeven je helpen in je inzicht in het begrip “class”. Soms reageren mensen wel eens wat verbaasd als ik vertel dat ik mij zowel voor talen als voor computers interesseer. Voor mijn eigen gevoel liggen beide interesses een beetje in dezelfde lijn.

 

4 gedachten over “Hoe is mijn talenhobby ontstaan?”

    1. Daar ben ik mee begonnen toen ik 16 was, in 1976 dus. Ik kreeg van mijn oom een oud cursuspakketje van de vereniging van Politie Esperantisten, hij had die cursus ergens in de jaren 30 gevolgd. Daarna heb ik nog het boekje Teach Yourself Esperanto erbij gekocht, beide boeken heb ik vrij snel doorgewerkt maar later heb ik er eigenlijk nooit meer wat aan gedaan, nu heb ik het sinds mijn pensionering een paar maanden geleden weer opgepakt… en met plezier!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Beantwoord onderstaande vraag ter voorkoming van spam * Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.