In memoriam voor mijn literatuurliefhebberij?

Jacques Firmin Vogelaar is overleden, zo las ik vandaag in de krant. Als ik  de deskundigen op dit terrein mag geloven, was hij een van de betere letterkundigen van ons land. De loftuitingen op Twitter zijn dan ook niet van de lucht.

Tja, die taal- en letterkunde. In mijn gymnasiumtijd heb ik nog even serieus overwogen Nederlands te gaan studeren, maar later heb ik daar toch maar van afgezien.

Dat heeft twee oorzaken.
Op de eerste plaats was ik bij het vak Nederlands een van de betere leerlingen, zeker als het om de wat meer taaltechnische vakken ging zoals spelling en vooral grammatica. De grammatica van een taal is iets dat ik snel kan doorgronden. Zelfs toen ik nog niet kon lezen, besefte ik al dat er in de verleden tijd geen -t achter werkwoorden in de derde persoon komt, het is niet “hij zeit” maar “hij zei” , ik kon dat nog niet onder woorden brengen maar ik wist het wél. De andere kant van het verhaal was, dat ik eigenlijk al heel vroeg een voorkeur ontwikkelde voor een zo logisch mogelijke spelling, en zelfs  lastige uitzonderingen op werkwoordsvervoegingen en het verschil tussen “de” en “het” (of vergelijkbare verschillen in andere talen)  altijd gezien heb als een “minpunt” van een bepaalde taal.  Argumenten dat een vereenvoudiging van de spelling een verarming van de taal met zich mee zou brengen of dat je daarmee zelfs een stuk cultuur overboord zou gooien, zijn nooit aan mij besteed geweest.

En dan waren er de lessen literatuur. Bij de eerste boekbespreking die we moesten doen, waren we nog helemaal vrij in de keuze van de schrijver en het boek. Ik koos voor een vrij onbekende auteur, Kees van Ginneken, die onder andere wat Brabantse streekromans heeft geschreven. Er waren ook enkele klasgenoten die “het deden over” Toon Kortooms.
In de loop van dat jaar kregen we al een paar keer te horen dat Toon Kortooms eigenlijk geen literaire schrijver was maar zijn streekgenoot Antoon Coolen wél. In de loop van de komende studiejaren, werd daar geruststellend aan toegevoegd, zouden wel leren wat nu “wel of geen literatuur” was.
Dat laatste werkte bij mij niet. Ik denk dat ik wat te “bèta-achtig” dacht om daar echt goed gevoel voor te krijgen. Zo passeerden de verschillende vormen van beeldspraak de revue en toen ik opperde dat Toon Kortooms toch ook regelmatig van beeldspraak gebruik maakte, werd dat al snel afgedaan als bombast (ook door mijn medeleerlingen).
Het interpreteren en duiden van gedichten ging ook niet van een leien dakje. Het herkennen van de verschillende metrum- en rijmsoorten kreeg ik snel onder de knie, maar een gedicht van Hugo Claus “jij” met iets over een “domein van stekel en spons” was voor mij  ronduit abracadabra.

De plannen om Nederlandse taal- en letterkunde te gaan studeren, heb ik dan ook maar laten varen. Ik denk niet dat ik met een dergelijke opleidingskeuze een gelukkig mens zou zijn geworden.

Heb ik dan helemaal niets met literatuur? Met lezen in ieder geval wel. Pas heb ik het gedicht van Hugo Claus er nog eens bij gepakt en het een beetje op me in laten werken. Toen ik ook nog las dat hij tot de Cobra-groep behoorde en dat daartoe ook een aantal schilders werd gerekend, leek er toch een klein kwartje te vallen: de gedichten zijn evenals de schilderijen deels abstract, deels herkenbaar en hebben daardoor toch iets harmonieus. De schrijfstijl van Vogelaar roept een beetje hetzelfde gevoel bij me op.

Het lezen als hobby heeft decennia lang op de achtergrond gestaan, maar de laatste tijd beleef ik er toch weer wat meer plezier aan. Of een bepaald werk wel of niet literair is, kan ik nog steeds niet goed beoordelen maar dat vind ik nu ook niet meer zo belangrijk.

Dus: mijn deelneming aan de nabestaanden van de familie Vogelaar, maar het zal nog wel even duren voor mijn leeshobby ten grave wordt gedragen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Beantwoord onderstaande vraag ter voorkoming van spam * Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.